Iedere toetsweek, elk examenmoment: voor veel jongeren voelt het alsof er een enorme druk op hun schouders ligt. Het verlangen om het goed te doen is groot, soms zó groot dat het blokkeert. Steeds meer jongeren herkennen die spanning, twijfels en lichamelijke klachten. Buikpijn, verhoogde hartslag, slecht slapen; het zijn vaak signalen van faalangst.
Hoe ontstaat faalangst?
Faalangst komt zelden door één oorzaak. Het is meestal een mix van persoonlijkheid, verwachtingen vanuit de omgeving, schooldruk en soms ook leer- of concentratieproblemen. Jongeren willen niet teleurstellen, niet zichzelf, niet hun ouders, niet hun omgeving. En dat maakt de druk nóg groter.
Twee veelvoorkomende reacties op faalangst
Iedere jongere reageert anders, maar er zijn twee patronen die vaak terugkomen:
- Perfectionisme en overmatig studeren
Alles tot in detail onder controle willen hebben, urenlang doorleren en geen fouten mogen maken. - Uitstelgedrag en vermijden
Leren wordt vooruitgeschoven omdat de angst om te falen té ongemakkelijk voelt.
Sommigen springen zelfs heen en weer tussen beide reacties. Van buiten zie je het niet altijd, maar van binnen kan de spanning enorm oplopen.
Ook goede leerlingen kunnen last hebben
Faalangst heeft weinig te maken met cijfers. Zelfs jongeren die keer op keer hoge resultaten halen, kunnen het gevoel hebben dat alleen perfectie goed genoeg is. Dat maakt hun lat onrealistisch hoog en de angst voor fouten des te groter.
Wat helpt echt?
Professionals zien dat faalangst goed te begeleiden is wanneer jongeren leren:
- negatieve gedachten om te buigen
- realistische studiemethodes toe te passen
- hun eigen succes niet te meten in cijfers, maar in inzet en groei
- mild te zijn voor zichzelf
Ook ouders spelen een belangrijke rol. Steun zonder druk werkt het beste: prijzen van inzet, veerkracht en doorzettingsvermogen, in plaats van te focussen op eindresultaten.
Gun jongeren ademruimte
Tussen school, hobby’s, sociale media en de druk om “altijd goed” te presteren, vergeten jongeren soms dat “goed genoeg” écht goed genoeg is. Door ontspanning, steun en realistische verwachtingen worden toetsen minder bedreigend en groeit het vertrouwen.
